Klavierboek van Jacoba Elizabeth van Strijen en composities van Belle van Zuylen, Tullia Melandri – fortepiano

11 oktober 2015 | 16.45 uur | Museum Geelvinck,
Musicus/ensemble: Tullia Melandri – fortepiano 

Deel dit bericht:

Fortepianiste Tullia Melandri speelt uit het “Klavierboek van Quirijn en Jacoba Elisabeth van Bambeeck van Strijen, 1752” en pianowerken gecomponeerd door tijdgenote Belle van Zuylen.

 

Programma:
Uit Het Klavierboek van Quirijn en Jacoba Elizabeth van Bambeek van Strijen (1752):

Cornad Friedrich Hurlebush (1691-1765) Ariette “Etwas lieben und entbeheren” (from Sammlung verschiedener und auserlesener Oden, published by Johann Friedrich Gräfe in Leipzig, 1737-1743, Erster Theil, no. 7)

Piero Antonio Locatelli (1695-1764) Menuet in G Major (from the tenth sonata from Locatelli’s XII Sonate a flauto traversiere solo e basso, Opera seconda, 1732)

Domenico Alberti (1710-1740) Tempo Giusto in F Major (not published, not known in any other manuscript surce)

Johann Adolf Hasse (1699-1783) Allegro in C Major (not published among his keyboard sonatas)
Sonata in F Major (incomplete version of Sonata III from his Keyboard Sonatas Op. 5, 1755)
– Villanella
– Menuet – Menuet alternativement
– Sicilana
– Scherzo

Cornad Friedrich Hurlebush: Polonoise “Alles, alles nehm ich an” (from Sammlung verschiedener und auserlesener Oden, published by Johann Friedrich Gräfe in Leipzig, 1737-1743, Erster Theil, no. 7)

George Friedrich Handel: (1685-1759) Allemanda in D minor (probably an unknown work of Handel, whose opening motif crops up in other Handel’s suites)

Cornad Friedrich Hurlebush: Ariette “Schönste, schmerzlich sind die Stunden” (from Sammlung verschiedener und auserlesener Oden, published by Johann Friedrich Gräfe in Leipzig, 1737-1743,Erster Theil, no. 10)

George Friedrich Handel: Courante in D minor (probably from the same unknown suite)

Cornad Friedrich Hurlebush: Scherzo “Komm, Doris, mein Verlangen” (from Sammlung verschiedener und auserlesener Oden, published by Johann Friedrich Gräfe in Leipzig, 1737-1743,Zweyter Theil, no. 33)

George Friedrich Handel: Allegro in G minor (probably taken by the edition Preludium et Allegro pour le clavecin, published in 1732 in Amsterdam by Gehard Fredrik Witvogel)

George Friedrich Handel: Gavotta in B flat Major (another unknown piece by Handel)

Johan Adolf Hasse: Alla breve in A minor (not among Hasse’s published keyboard sonatas)

Fortunato Chelleri: (1690-1757) Giga in G minor (from his Sonate di galanteriamper il cembalo, after 1730)
——————-      pauze      ——————

Belle van Zuylen (1740-1805)

Sonate Op. 2, No. 2 in C Major
– Allegro
– Menuetto grazioso

Sonate Op. 3, No. 1 in C Major
– Andante
– Allegro

Sonate Op. 3, No. 2 in F Major
– Andante con moto
– Allegro assai

Sonate Op. 3, Nr. 3
– Largo
– Allegro

 

Intermezzi:
Olaf van Hees leest fragmenten uit de brieven van Belle van Zuylen

 

Jacoba Elizabeth van Strijen

Jacoba Elizabeth van Strijen (1742 – 1816) kreeg in haar jeugd les uit het speciaal door haar pianoleraar voor haar en haar broer Quirijn geschreven Klavierboek. Zij trouwde in 1760 met Dirk Trip Jr. (1734-1763), de enige zoon van Agatha Levina Geelvinck (1701-1761). Toen zijn moeder, die vanaf 1750 in het Geelvinck Hinlopen Huis woonde, in 1762 overleed, verhuisden Dirk en Jacoba met hun gezin naar het Geelvinck Hinlopen Huis. Helaas overleed Dirk al anderhalf jaar later en Jacoba hertrouwde in 1767 met Carel George van Wassenaer Obdam, de zoon van de diplomaat en componist Unico van Wassenaer Obdam. Zij trok met haar beide kinderen bij hem in op Kasteel Twickel bij Delden. Na haar dood is het Klavierboek op Kasteel Twickel bewaard gebleven.

De jongere neef van Agatha Levina Geelvinck, Lieve Geelvinck (1730-1757) was getrouwd met Catharina Elisabeth Hasselaar. Zij was een vrijgevochten vrouw, die nauw bevriend was met de schrijfster en componiste Belle van Zuylen (Isabelle de Charrière-van Tuyll van Serooskerken van Zuylen, 1740-1805).

 

Belle van Zuylen

Haar uitspraak ‘Ik heb geen talent voor ondergeschiktheid’ is typerend voor de vrijzinnige, adellijke Belle van Zuylen, die na een uitstekende opvoeding in contact komt met tal van grote geesten uit haar tijd. Ze schrijft novellen, portretten, toneelstukken en libretti voor opera’s, maar haar faam geldt vooral haar brieven, die in Nederland vanaf 1979 zijn verschenen. Belle van Zuylen is bekend geworden als een zelfstandige, geëmancipeerde vrouw, die zowel hoge eisen stelde aan zichzelf, als aan anderen.

Belle van Zuylen wordt geboren op slot Zuylen aan de Vecht als dochter van Diederik van Tuyll van Serooskerken en Helena de Vicq. Haar adellijke vader is voorzitter van de Ridderschap van Utrecht en gedeputeerde van de Staten Generaal. Belle krijgt thuis Franstalig onderwijs van Zwitserse gouvernantes en gouverneurs, evenals haar zes broers en zussen. Nog voor haar tiende gaat ze met een gouvernante voor een jaar naar Genève. Ze krijgt les in Engels, Italiaans, Latijn, muziek, natuurkunde, godsdienst en wiskunde. Daardoor is ze veel beter opgeleid dan veel mannelijke en vrouwelijke tijdgenoten.

In 1755 wordt Belle van Zuylen verliefd op de Poolse graaf Pieter von Dönhoff, die ze via een familielid leert kennen. De liefde is niet wederkerig, ze wordt neerslachtig en verdwijnt voor een tijd uit het openbare leven. Als negentienjarige leert ze kolonel d’Hermenches kennen. Vijftien jaar lang zal ze met hem corresponderen, een briefwisseling waaruit duidelijk te destilleren valt hoe verfijnd haar epistolaire kwaliteiten zijn. Hij prijst haar en vindt haar beter schrijven dan Voltaire. In 1762 verschijnt haar satire Le Noble over haar adellijke milieu, haar ouders nemen het uit de handel vanwege nestbevuiling. Vanaf 1763 studeert James Boswell aan de universiteit van Utrecht. Hij doet haar een aanzoek, dat wordt geweigerd met haar beroemd geworden woorden: ‘Ik heb geen talent voor ondergeschiktheid’. In de daaropvolgende jaren melden zich zeker tien huwelijkskandidaten van naam en faam uit binnen-en buitenland bij haar vader. Ze worden allen afgewezen.

In 1771 trouwt Belle op slot Zuylen met Charles-Emmanuel de Charrière, seigneur de Penthaz (1735-1808), hij is de voormalig huisleraar van de broers van Belle. Tijdens de huwelijksreis volgt Belle in Parijs tekenlessen bij Maurice Quentin de la Tour. Beeldhouwer Houdon maakt in die tijd een buste van haar. Via haar man leert ze tal van kunstenaars en wetenschappers kennen, die allemaal danig van haar persoonlijkheid en talenten onder de indruk zijn. Het echtpaar gaat in Colombier bij Neuchatel wonen, samen met de vader van de Charrière en twee ongetrouwde zussen van hem. Het huwelijk blijft tot wederzijds verdriet kinderloos. Door de grote godsdienstvrijheid komen veel vluchtelingen naar het kanton Neuchatel. In 1777 bezoekt Belle in Ferney Voltaire. Vanaf 1784 is het schrijverschap het belangrijkste in haar leven, temeer daar ze neerslachtig raakt door haar saaie, uitzichtloze huwelijk. Ze publiceert haar werk en composities onder de naam Isabelle de Charrière. In Parijs, waar zij lange tijd verblijft, leert ze de dertig jaar jongere Benjamin Constant kennen, met wie een intensieve relatie ontstaat. Constant benadrukt dat Belle zo bijzonder is, omdat ze lak heeft aan ‘wat hoort’ en streeft naar opperste waarheid en gerechtigheid.

In 1784 verschijnen haar Letters Neuchateloises, gevolgd door onder andere Lettres de Mistress Henley (zelfde jaar) en Lettres écrites de Lausanne (1785). Verder publiceert zij een groot aantal pamfletten en essays over met name de politieke situatie, een aantal romans, waarvan Trois femmes uit 1795 het bekendst is geworden, toneelstukken en is ze ook als componiste actief. Ze werkt mee aan een uitgave van de Bekentenissen van Rousseau. Haar werk wordt niet op grote schaal verspreid, Belle is daar zelf debet aan, ze vertrouwt op enkele vrienden die zorgen dat haar geschriften onder ogen van de intelligentsia komen. Belle van Zuylen overlijdt op het landgoed van haar man in 1805, bij haar begrafenis is noch haar man, noch familie aanwezig. Haar graf is geruimd.

Na haar dood raakt het werk van Van Zuylen in de vergetelheid. Het is de Franse criticus Sainte Beuve die het enkele decennia daarna weer opmerkt, evenals in onze contreien Potgieter. Het duurt echter tot 1970 voordat de persoon en het werk van deze ‘verlichte’ vrouw weer onder de aandacht van velen komt door de vasthoudendheid van Simone en Pierre Dubois. Zij brengen het oeuvre in totaliteit uit, entameren studies en biografieën. De uitgaven hebben de tijdgeest mee: er is veel belangstelling voor sterk geëmancipeerde vrouwen, die op een onafhankelijke manier in het leven staan en zich niet door huwelijkse verplichtingen laten weerhouden om een rijk sociaal en intellectueel leven te voeren. Het Genootschap Belle van Zuylen is al jarenlang zeer actief met lezingen, symposia en reizen. Het geeft jaarlijks de Cahiers Isabelle de Charrière / Belle de Zuylen papers uit.

tekst: Letterkundig Museum



Locatie