1813: Kozakkenmuziek

Deel dit bericht:
Oorlog en vrede: muziek wordt voor beide doelen ingezet. In onze tentoonstelling 1813 zijn een trommel en twee trompetten te zien die daadwerkelijk door de Russen, met name het Tula Regiment, zijn gebruikt op hun veldtocht naar het westen. Deze instrumenten hebben in 1813 ook de bevrijding van Nederland aangekondigd. Zij behoren tot de ‘Silver Collection’ van het Glinka Museum in Moskou, het grootste muziekinstrumenten museum ter wereld.
 

Het Glinka Museum voor Muziekcultuur /  Glinka’s All-Russian Museum Consortium of Musical Culture, herbergt de grootse collectie muziekinstrumenten en aan muziek gerelateerde objecten. Daarnaast beheert het Glinka Museum een aantal huizen van componisten, die als museum zijn bewaard gebleven.

Over de geschiedenis van het Glinka Museum:

This museum has a unique and world’s largest collection of monuments of musical culture. The Glinka Museum of Musical Culture has in its collection drafts and musical scores, literary manuscripts, numerous studies on the history of culture and music, rare books, rare sheet music.

The Museum saves letters and other documents relating to the life and work of the great Russian as well as of musicians of foreign cultures. The most important part of the museum exposition is a giant collection of musical instruments from all over the world. In May 2010 the museum collection was supplemented by items from the state collection of unique musical instruments. And now in the Glinka Museum, you can see masterpieces by Antonio Stradivari, Guarneri and Amati families.

The museum is also an authoritative scientific center. Its employees make profound research in the field of music. The museum has a modern recording studio and concert hall, equipped with a pipe organ. In the lobby of the main building of the museum is placed the oldest pipe organ in Russia, made by German master Friedrich Ladegast. Both organs sound during a concert.

No one country in the world can boast a musical museum of this magnitude.

In 1912, The Nikolai Rubinstein Memorial Museum opened at the Moscow Conservatory. Nikolai Rubinstein was the founder of the Moscow Conservatory. The Memorial was financed by Dmitry Belyaev, a Moscow landlord and a great music fan. Some examples of the exibits include the writing table of Petr Tchaikovsky, portraits of famous composer Anton Rubinstein and art patron Dmitry Belyaev, a collection of musical instruments from the Middle East and an Italian lyre-guitar from 1956.

The museum’s collection gradually grew with the presentation of a plaster death mask of Lenin by Tchaikovsky’s brother and the recovery of composer Rimsky-Korsakov’s stolen penknife by Sergei Balanovsky, an admirer. At the beginning of the 1930’s the museum nearly closed when the whole conservatory experienced hard times . Fortunately, under the new leadership of Ekaterina Alekseeva, the museum was able to stay open and prosper. In 1943, at the height of World War II, it got the status of a state museum and at the end of the 1940’s the surname ”Rubinstein” eventually disappeared from its name.

The Musical Museum eventually expanded beyond the capacity of the memorial room at the Moscow Conservatory and became an independent institution. In 1954, in connection with the 150th anniversary of Glinka’s birthday, the museum was named after the great composer.

In 1912 the Museum moved to a new specially constructed building in Fadeeva Street.

The museum has continuously tried to increase its collection. Even in 1943, director Ekaterina Alekseeva wrote to Sergei Rachmaninov (who lived in the USA at that time) with a request to send some of his personal belongings and musical records. He kindly agreed. Ekaterina Alekseeva visited the USA twice and during her second trip in 1970 together with Zaruya Apetyan, Rachmaninov’s creative work investigator, she was able to bring back 20 boxes of exhibits for the museum.

During the following years, the museum was presented with lots of items connected with the world’s musical culture. The items included the “written clavier” or “piano reduction” of the ballet Giselle (sheet music for the piano formerly for other instruments) which belonged to the famous ballet dancer Anna Pavlova, and the Stradivari violin which David Oistrakh inherited from Elizabeth, the Queen of Belgium.

The main exposition of the museum is called “Musical instruments of the world’s nations”. There are more than 900 exhibits in 5 halls. The collection of Russian instruments includes nine-stringed gusli of the 13th century found at an excavation in Novgorod, balalaikas of the 19th century, old grand pianos from St. Petersburg from the 1830-1870’s, shepherd’s pipes, and harmonicas, which became widely spread only inthe 1830’s. Of even more interest are the Bashkirian flute kurai, Chuvash bagpipe made from bull leather, and the Karelian string instrument kantele, which looks similar to gusli and which was mentioned in the epos of Kalevala. The Middle East collection contains mainly instruments from August Aichhorn, who served as a bandmaster of the Russian military orchestras in the military region of Turkmenistan from 1870 to 1883. A spinet (a smaller type of harpsichord) is of great value. It belonged to the House of Medici and was made by the craftsman Mark Yadra in 1965. Most likely it was a part of the collection of the prince Odoevsky, although the spinet was found near the library of the Conservatory in the autumn of 1941. In the foye of the second floor one can find the oldest among currently sounding organs in Russia made on the request of the art patron Vasily Chludov in 1868.

In 2011 the Museum of Musical Culture was renamed Glinka’s All-Russian Museum Complex of Musical Culture. Now it includes five other memorial museums: Shalyapin Memorial Mansion in Novinsky boulevard, Moscow’s Tchaikovsky Museum in Kudrenskaya square, Goldenweiser Memorial Apartment (he was a composer and the director of the Conservatory), Prokofiev Museum in Kamergersky Lane and the Memorial Apartment of the conductor and composer N.S. Golovanov in Bryusov Lane.

 

Kozakkenmuziek / het Kozakkenlied

Het dagelijkse leven van de Russische Kozakken komt naar voren in hun volkskunst en in het bijzonder in hun volksliederen, die verhalen en gebruiken van de soldatengemeenschap uitdragen. De liederen vertegenwoordigen de moed, mateloosheid en vrijheidswil van de Kozakken. Maxim Gorki noteerde eens: ‘Ik bezocht enige malen de kazernen van de Kozakken, niet omdat zij zo goed reden of mooi gekleed waren, maar omdat zij zongen en uitstekend dansten.’

Alleen de verzameling van de Don-Kozakkenliederen bevat al duizenden werken. Het zijn sagen en historische liederen, liefdes-, jacht- en roversliederen, soldaten- en gevechtsliederen, familie- en feestliederen met alle bijbehorende gebruiken.

In 1824 werden in Rusland voor het eerst de teksten van 5 Don-Kozakkenliederen opgesteld. Veertig jaren later waren er al 114 teksten (zonder noten) en tussen 1894 en 1949 schreef de folkloreverzamelaar Listopadow meer dan 2000 Kozakkenliederen op. Het ging hierbij niet alleen om teksten, maar ook om muziek in de variant voor koor en de in het volk verspreide zangwijze. Zelfs de afschaffing van het Kozakkenkostuum na de Revolutie van 1917 kon dit zanggoed niet vernietigen. Zelfs de door de sovjets in de jaren dertig geschapen legerensembles, inclusief het beroemde Alexandrow-ensemble van het Rode Leger, hadden Kozakkenliederen en –dansen in hun programma.

De liederen van de Don-Kozakken zijn hoofdzakelijk melodieuze koorliederen. Gewoonlijk begint de voorzanger, daarna vallen de hoge stemmen in, terwijl de bassen hun melodie in de lage registers vervolgen. Kozakken hebben een zeer rijke vocale muziektraditie. Hun liederen verenigden melodische kenmerken van Russen, Oekraïners, Circassiërs en ander etnische groepen die deelnamen in het vormen van Kozakken-strijdgemeenschappen. Het zou niet overdreven zijn om te zeggen dat Kozakkenliederen een van de meest belangrijke elementen van hun etnische identiteit zijn.

Vele jaren geleden beschreef een verbaasde niet-Kozak de volgende scène: Na een gevecht was een Kozakstrijder ernstig gewond en het zag ernaar uit dat hij dood zou gaan. Andere Kozakken stonden in een cirkel (“krug”) rond de gewonde en begonnen te zingen over hun gevechten en strijderleven. De energie van het ritueel was zo sterk dat de Kozak opstond en met zijn dienstbroeders meedeed in hun gezang.

Dit kon niet door een buitenstaander worden uitgelegd – maar voor de Kozakken was dit het perfecte gevoel. Zij groeiden op deze liederen, het was iets waar ze zich aan konden vasthouden.

De traditionele muziek van de Koeban-Kozakken is nogal apart. Het kan onderverdeeld worden in twee hoofdstijlen: Zwarte Zee (met sterk Oekraïense invloed) en Lineair (met sterke Russische invloed). De reden is dat deze Kozakkengroep (na de Don-host de grootste Kozakkenhost) was gevormd door de Zwarte Zee-Kozakken (voormalige Zaporozjen), Don- en Ekaterinoslav-Kozakken. Daarom zijn er liederen die door Kozakken als Kozakkenliederen betiteld worden en door de Oekraïners als Oekraïense liederen.

Het meest typische in de Kozakkenmuziek is de zogenaamde “Indo-Chinese”, of “Schotse” toonladder (uitgevoerd op slechts de zwarte toetsen van de piano). Deze pentatoniek (toonsysteem met slechts vijf verschillende tonen) voegt aan de melodie een aparte kleur toe, ongewoon aan het oor dat gewend is aan de harmonische combinatie van de klassieke muzikale toonladder. Ondanks de linguïstieke overeenkomsten verschillen de melodieën van de Zwarte Zee-Kozakken van de Oekraïense muziek, te wijten aan de dominantie van dezelfde natuurklanken van de “oosterse” vijf-tonen-toonladder (gebaseerd op de commentaren gemaakt door A.M. Listopadov in zijn 5-volumes werk “Liederen van de Don-Kozakken” of “Pesni Donskih Kazakov”, Muzgiz, 1953). Enkele Kozakkenliederen zijn zo populair onder niet-Kozakken-Russen, dat niemand zich meer herinnert dat het eigenlijk Kozakkenliederen zijn, maar er zijn ook liederen over Kozakken die oorspronkelijk stadsliederen waren. Heel vaak kan hetzelfde lied van regio tot regio licht variëren in lyrische stijl en arrangement.

 (ontleend aan: www.cossackwebmuseum.nl en gebaseerd op: 

Koren, Kerken en Kozakken – Het bewogen leven van Michael Minsky

Michael Minsky – VU Publishing, Amsterdam, 1997